In 1772 ontdekte de grote Zwitserse wiskundige Leonhard Euler iets moois en verrassends. Hij ontdekte dat de eenvoudige formule f(x) = x² + x + 41 herhaaldelijk priemgetallen produceert. Als je hele getallen invoert van x = 0 tot 39, is elk antwoord een priemgetal. Stel je de opwinding van Euler voor — een nette kleine formule die als magie priemgetallen blijft geven. Maar toen kwam de teleurstelling. Wanneer x = 40, breekt de betovering. Het resultaat is niet langer een priemgetal — het is een samengesteld getal. De magie houdt niet voor altijd aan. Toch is de formule opmerkelijk. Zelfs voor waarden van x = 40 tot 79 produceert het 33 priemgetallen. Dat is een indrukwekkend hoge succesratio voor zo'n eenvoudige uitdrukking. Wiskundigen zochten later naar nog betere formules. Een krachtig voorbeeld is: 2x² − 199 Voor de eerste 1.000 waarden van x produceert deze formule 598 priemgetallen — meer dan welke andere kwadratische formule tot nu toe is ontdekt. Deze formules creëren geen eindeloze stroom van priemgetallen. Maar ze onthullen iets fascinerends: verborgen patronen in getallen. En soms, met niets meer dan een potlood en een slim idee, voelt wiskunde bijna magisch aan.